Andere artikelen van DaanSpeak in deze
Balkan-serie: 1 2
3 4
5
Hoe de Serven door de Kroaten
werden onderdrukt, maar de
publieke opinie tegen zich kregen
15eb02
Op
verzoek van DaanSpeak schreef de ons niet onbekende A. Noniem naar schatting
medio 2000 een samenvatting van een aantal Franse en Duitse boeken over
de andere kant aan de berichtgeving over de Joegoslavische oorlog. DaanSpeak
publiceert bij deze de samenvatting en tekent aan dat het dus geen eigen
DaanSpeak-productie betreft en dat wij in dit geval slechts functioneren
als doorgeefluik voor hen die kennis willen nemen van deze materie.
De
geschiedenis herhaalt zich
De Krajina-Serven leefden sinds de zestiende eeuw in gebieden van het
huidige Kroatie. Destijds bestond Kroatie nog niet als zelfstandige staat,
maar maakte deel uit van de Habsburgse monarchie. In 1527 vluchtten de
Kroaten voor de oprukkende Turken en lieten gebieden achter die later
"Vojna Krajina (militaire grens) genoemd werd. In het zicht van een dreigende
Turkse invasie, riepen de habsburgers het aangrenzende Servie om hulp.
Daarop werden er er tienduizenden Serviers in de Krajina gestationeerd,
die de Turkse opmars succesvol tot staan brachten. Vanaf dat moment bleven
de Serviers in de Krajina en verkregen de autonome status van de Habsburgse
regering. In de loop der tijd nam de Servische bevolking toe tot
boven de miljoen. Tijdens de beide wereldoorlogen werd het oorspronkelijke
bevolkingsaantal met bijna de helft gereduceerd. In 1945 bleven nog ca.
500.000 Serviers over; het grootste gedeelte werd in Kroatische concentratiekampen
omgebracht (nog afgezien van het feit dat ook in Servie en Bosnie velen
de dood vonden.
In
de loop van 1989 moesten de Krajina-Serven opnieuw voor hun bestaan vrezen.
De oorzaak lag in de verschijning van het boek "Bespuca-Povesjne zbiljnosti"
(Wegen naar de historische waarheid), geschreven door de kroatische politicus
Franjo Tudjman. In zijn boek stelde Tudjmna o.a.:
- Het Kroatische
concentratiekamp Jasenovac heeft alleen als werkkamp bestaan waarin
de mensen zich vrij konden bewegen
- Het aantal van
700 000 vermoorde Serviers is onjuist, hoogstens kan er gesproken
worden van 30 a 40 duizend Servische doden, waarbij zodoende geen
sprake kan zijn van volkerenmoord
- De gruweldaden
die tegen de Serviers bedreven zouden zijn, zijn door historici schromelijk
overdreven
- Tijdens de Tweede
Wereldoorlog zijn er geen zes miljoen Joden omgebracht
- Veel Joden zijn
niet door Hitler omgebracht maar hebben zelfmoord gepleegd
- De Joden zijn
eigenlijk zelf nazi's, gezien hun tyraniekke houding tegenover de
Palestijnen
- De Joden zijn
zelf schuldig aan de haat die ze ondervinden, omdat ze menen dat ze
het uitverkoren volk zijn
- Volkerenmoord
is in de grond der zaak een natuurlijk iets dat God Jehova reeds beweerde.
Deze
uitspraken van de holocaustontkenner Tudjman waren een zware slag voor
de in Kroatie levende minderheden. Vooral onder de Krajina-Serven kwamen
onaangename herinneringen boven. Er was in de hele Krajina geen Servische
familie te vinden, die tijdens de facistische Ustacha-diktatuur niet een
of meer leden verloren had. En nu, vierendertig jaar na deze genocide,
trad opnieuw een Kroatische politicus aan, die onder de Servische bevolking
angst en beving verspreidde. Deze angst nam nog verder toe toen Tudjman
op 17 juli 1989 de nationalistische partij H.D.Z. oprichtte. Uiterlijk
op dit tijdstip werd het duidelijk dat Kroatië haar afscheiding van Joegoslavië
voorbereidde. Deze afscheiding zou voor de Serven betekenen dat ze opnieuw
zonder bescherming in een Kroatische staat zouden leven die door ultranationalisten
geregeerd werd (Franjo Tudjman werd eerder al twee keer wegens nationalistische
activiteiten tot meerjarige gevangenisstraffen veroordeeld, waarvan
hij een deel uitzat).
In
april 1990 vonden er in Kroatië vrije verkiezingen plaats, waarbij Tudjmans
partij als winnaar uit de bus kwam. Bevreesd door Tudjmans verkiezingssucces
besloten de Serviërs op 19 augustus 1990 de onafhankelijke republiek Krajina
te stichten. Vier maanden later vaardigde de Kroatische regering een nieuwe
grondwet uit die Kroatië tot een soevereine staat verklaarde. In deze
grondwet werd met geen woord gerept over de 600 000 Krajina-Serven, noch
werd hun bestaansrecht gegarandeerd. Min of meer tegelijkertijd vonden
er in Kroatie veel ontslagprocedures plaats waarbij de meeste Serviers
hun baan verloren. In het boek "Der Jugoslawienkrieg" van Imanuel Geiss
en Gabrielle Intemann staat in dit verband te lezen:
De
nieuwe Kroatische grondwet greep terug op oude nationale symbolen, die
gebruikt werden in de Ustachastaat (gewijzigde vlag, grondwet en wapen).
Ze verklaarde alleen Kroaten tot staatsburgers. De wetgeving legde de
grondslag voor een alles omvattende zuivering bij Justitie, Politie en
Ambtenarij. Ook in het bedrijfsleven en in het toerisme werden de Serven
vanwege hun nationaliteit ontslagen.
David
Martin schreef op 22 november 1991 in de "New York Times":
Sinds Kroatië de onafhankelijkheid heeft uitgeroepen zijn de Serviërs
in Kroatië slachtoffer van een intimidatiecampagne geworden. Het besluit
van president Tudjman een staatsvlag naar het model van de Ustachavlag
in te voeren heeft alles nog veel erger gemaakt. Het wordt vergeten dat
de bestaande grenzen tussen Servië en Kroatië willekeurig door maarschalk
Tito, een Kroaat, getrokken werden toen hij in 1944 aan de macht kwam.
Men kan het de Serviërs niet kwalijk nemen dat ze angst koesteren voor
de wedergeboorte van een extremistische Kroatische staat.
In
haar verslag "De media als brandstichter" (uit het boek "Servie moet sterven")
schrijft de uit München afkomstige publiciste Mira Beham:
Toen Kraotië de onafhankelijkheid verklaarde bleef het er niet bij dat
de Servische minderheid uit het openbare leven werden verbannen en tot
afzondering werden gedwongen. Naar dezelfde logica eisten de Serviers,
totdan een erkend etnisch onderdeel van het federale Joegoslavie, politieke
en culturele autonomie. Onder druk van de opleving van het Kroatische
nationale zelfbewustzijn hadden bovendien duizenden Serviërs Kroatië
vrijwillig of onvrijwillig verlaten; de eerste vluchtelingen in het voormalige
Joegoslavië. Spoedig bediende het Kroatische nationalisme zich van dezelfde
symbolen van de facistiche Ustachastaat, een vazalstaat van Hitler, die
tussen 1941 en 1945 honderduizenden Serven, Joden en zigeuners het leven
gekost heeft.
De
internationaal bekende journalist en schrijfster Nora Beloff beschrijft
in haar boek 'Jugoslavia - an avoidable war" hoe Franjo Tudjman met hulp
van de extremistische Ustachabeweging de vernietiging van Joegoslavie
inleidde. Het begin van hoofdstuk vijf luidt als volgt:
Twee dominante factoren veroorzaakten de versplintering van Joegoslavië.
In de eerste plaats de installatie van Franjo Tudjman als Kroatische president,
die met zijn racistische politiek geen plaats voor anderen dan Kroaten
overliet en in de tweede plaats de activiteiten van de machtige Ustacha-organisatie,
die de uitrusting en wapens van het Kroatische leger financierde.
Eind
1990 vonden in Kroatië dagelijks gewapende conflikten plaats, hetgeen
de Servische bevolking voorgoed in de hoogste staat van paraatheid bracht.
De nieuwe Kroatische minister van defensie Martin Spegelj, verkondigde
op 21 januari 1991 openlijk:
We zijn vanaf nu in oorlog met Joegoslavië. Wat er ook mag gebeuren, breng
hen om, op de straten en in hun huizen. Gooi handgranaten of schiet hen
dood (de Serviers). Dit is na te lezen in het boek "Die Zerslagung Jugoslawiens"
door Arnold Sherman.
Een
burger, Zeljko Ostojic, in een buitenwijk van Vukovar, begon de wapenleveranties
te filmen. Nadat hij enig filmmateriaal verzameld had droeg hij de opnamen
over aan een officier van het Joegoslavische federale leger. Op 26 januari
1991 werd de film op de Joegoslavische televisie uitgezonden. Een goed
half uur later drongen gewapende Kroatische milities de woning van Ostojic
binnen en brachten hem om.
Na dit voorval begonnen de rechtsovertredigen tegen de in Kroatië levende
Serviërs sterk toe te nemen. Alle politiebureaus werden "gezuiverd" van
Serviërs, Servische artsen en verpleegkundigen werden vervangen door Kroatische,
en veel niet-Kroatische werknemers in het bedrijfsleven werden eveneens
ontslagen.
Echter, deze terreur beperkte zich niet tot gedwongen ontslagen maar mondde
uit in een onafzienbare rij psychische gewelddaden die ook bij foltering,
openlijke geweldpleging en moord geen halt hield. Omdat het i.v.m. de
plaatsruimte niet mogelijk is alle in Kroatie voorgevallen misdaden te
beschrijven zullen we ons beperken tot de gebeurtenissen in de regio Vukovar.
Uitvoerig worden deze beschreven in het boek "Crimes without Punishment"
dat door de leider van de vrouwenbeweging in Vukovar, mevrouw Ksejina
Lukic, uitgegeven werd. Dit boek is een verzameling van getuigenverklaringen,
dokumenten, bekentenissen van gevangengenomen oorlogsmisdadigers en vele
autopsieberichten, die door verscheidene artsen opgesteld werden. De verdere
inhoud bevat dokumenten over oorlogsmidadigers die door het Joegoslavische
informatiecentrum SCIC openbaar gemaakt werden.
De
geschiedenis van de onbestrafte misdadigers
De hoofdverantwoordelijke voor de bloedbaden en moordpartijen onder de
Servische bevolking is de Kroatische nationalist en crimineel Tomislav
Mercep. Hij was de grondlegger van de 204e Z.N.G. Brigade, die uitsluitend
uit criminelen, Ustachas en werklozen bestond. Het hoofddoel van de brigade
was de etnische zuivering van alle Serviërs uit Kroatië en de grondlegging
van een onafhankeljk Kroatië, dat gedurende het afgelopen millennium steeds
in een ander verband van staten opgegaan was. (met uizondering van de
facistische Ustachaperiode van 1941 tot 1945). Op 10 maart 1991 vond er
in het dorp Bogdanovacki Dol een bijeenkomst plaats van 2000 leden van
paramilitaire Kroatische eenheden. Ze organiseerden een militaire parade.
De parade werd gefilmd en een casette hiervan is in het bezit van het
Joegoslavische leger.
Drie
dagen later vond in BororvoNaselje, een buitenwijk van Vukovar een partijvergadering
van de HDZ plaats, waarbij besloten werd tot nieuwe maatregelen tegen
de Serviërs. Op dezelfde dag werden de laatste Serven werkzaam bij de
onderneming "Borovo Combine" ontslagen.
Het volgende voorval vond plaats op 31 maart 1991. Op de weg tussen Plitvice
en Karlovac arresteerde de Kroatische politie Goran Hadzic en Borivoje
Savic, allebei lid van de Servisch-demokratische partij in Vukovar.
De gewelddadige en brutale arrestatie werd gefilmd en nog diezelfde avond
voor de Kroatische televisie uitgezonden. Het zonder reden vasthouden
van de beide politici maakte bij de Serven een paniekreaktie los. De volgende
dag werden er in het nabijgelegen door Serviërs bewoonde dorp barricaden
opgericht om zich tegen verdere akties te beschermen. De situatie verbeterde
weer iets toen de beide politici op 3 april 1991 weer werden vrijgelaten.
Aan deze schijnbare rust kwam echter op 1 mei 1991 een einde. Op die dag
werd de Servier Stevan Inic (1928) gedood door een schot door het hoofd
in het dorp Brsadin. De moordenaar was Djuro Gelencir, lid van een bewapende
Kroatische eenheid (SCIC Dossier Vukovar Autopsiebericht Nr 16/91).
De
daaropvolgende dag vielen ca. vijftig Kroatische militairen Bororvo Selo
binnen en openden het vuur op de bevolking. De Serviërs beantwoorden
het vuur en er vielen aan beide zijden doden en gewonden. De gevechten
eindigden pas, toen eenheden van het Joegoslavische leger vanuit
Vukovar kwamen en de vijandelijke partijen scheidden. Onmiddelijk na dit
treffen werden in de Servische dorpen Borovo Selo, Negoslavci, Trpinja,
Lipovaca, Pacetin en Bobota opnieuw barricaden opgericht.
Het dorp Sotin werd niet afgegrendeld omdat de bevolking zowel uit Serven
als Kroaten bestond. Op 4 mei 1991 vielen bewapende Kroaten Sotin binnen
en begonnen de Serven te terroriseren. Bij deze rechtsovertreding werd
Miodrag Nadj (1966) doodgeschoten. (SCIC Dossier Vukovar, Autopsiebericht
Nr 17/91). Een Servisch lid van de gemeenteraad van Vukovar, Slavko
Dokmanovic, schreef een brief aan de Kroatische president Franjo Tudjman,
waarin hij zich over de mishandeling van de Serviërs in Kroatië beklaagde.
de brief werd helaas niet beantwoord en de vervolging van de Serviërs
nam alleen maar toe.
Eind
mei 1991 waren honderden Serviërs op bevel van Tomislav Mercep in hun
woning of gewoon op straat zonder reden gearresteerd of in verscheidene
openbare gelegenheden ingesloten bijv. bij de Kajakclub, het gebouw van
de fittnessvereniging of in verschillende cafe's. Velen van hen werden
mishandeld, gefolterd en vermoord. Begin juni 1991 begonnen Kroatische
eenheden te schieten op de huizen van Servische burgers of werden
er granaten gegooid bijv op het huis van Professor Danica Gvojic. Afgezien
van huizen werden ook verschillende Servische cafe's en restaurants opgeblazen,
o.a.: Sarajka, Krasisnik, Tufo, Brdo, Mali Raj, Popaj, Tocak, Sid, Rojal,
Veseli Bosanci.
Het
schoonmaakbedrijf van Miki Stojikovic werd net als zijn huis opgeblazen.
Intussen namen Kroatische verbanden de totale controle over van Vukovar
en omgeving. Alle Serviërs hadden hun baan verloren en ook radio Vukovar
en de Vukovaarse krant waren overgenomen door Kroaten. De situatie van
de Servische bevolking was zo ongeveer op dit tijdstip meer dan hopeloos.
Hen bleef niet veel anders over dan zich in hun huizen te verschansen
waar ze in doodsangst verder leefden. Omdat het federale Joegoslavische
leger nog geen bevel had gekregen binnen te vallen, vluchtten veel Serviërs
naar Bosnië en Servië. Van de oorspronkelijke 17993 Vukovaarse Serven
bleven er nog 13734 over. In totaal bestond de eerste golf van vluchtelingen
vanuit Kroatië uit 150 000 Serviërs, de overige 450 000 zouden nog volgen.
Eind
mei 1991 stelde Tomislav Mercep een speciale eenheid samen die hij "stille
liquidatiegroep" noemde. Het doel van de groep bestond hierin, zoveel
mogelijk Serviérs te verdrijven, te vermoorden of eenvoudigweg zodanig
te terroriseren tot ze Kroatië vanzelf verlieten. Er volgden berichten
over liquidaties van Serviërs in Vukovar, die op bevel van Tomislav Mercep
werden georganiseerd. Lijkautopsies, die door verschillende artsen werden
uitgevoerd, bevestigden dit (bijv. Dr. Zdravko Tomasevic en Dr. Milos
Tasic). De daders werden door overlevenden van de terreur aangewezen of
door inmiddels gearresteerde oorlogsmidadigers beschreven (de dokumenten
hiervan zijn in het bezit van het Oorlogstribunaal in Den Haag en het
Joegoslavische Centrum voor Informatie SCIC).
Interventie
van het Joegoslavische federale leger
Het eerste grote gewapende treffen tussen het Joegoslavische leger en
Kroatische eenheden vond plaats op 25 augustus 1991. Kroatische politiemannen
brachtten een mijn aan onder een vrachtauto van Joegoslavische soldaten
en deze werd opgeblazen. Bij de explosie werd een Joegoslavische soldaat
gedood en vier anderen gewond. Kort daarna verlieten eenheden van het
Joegoslavische leger hun kazerne in Vukovar om aan de Kroatische troepen
weerstand te bieden. In de loop van de dag kwam het tot zware gevechten
tussen de vijandelijke partijen (het Joegoslavische leger bestond rond
dit tijdstip praktisch alleen nog maar uit Serviërs). Met behulp van tankwagens
en artillerievuur werden de Kroatische barricades en verdedigingswerken
geslecht. Voor een paar uur was de omgeving van Vukovar onder controle
van Joegoslavische eenheden. Daarop trok het leger zich in de kazernes
terug waar ze regelrecht in de val liepen. Sterk bewapende Kroatische
militairen omsingelden de kazernes en hielden de Joegoslavische soldaten
min of meer gevangen. Ondertussen bereikten 7000 andere Kroatische militairen
Vukovar waar ze zich hergroepeerden en verscheidene doelen troffen. De
nieuw aangekomen troepen waren afkomstig uit de steden Varazdin, Cakovec,
Slavonski Brod, Zupanja, Nasice en Vinkovci. Onder de Kroatische troepen
bevonden zich ook ca. 150 neo-facisten uit Amerika, Oostenrijk en Duitsland
(deze gegevens werden door de in Wenen gearresteerde soldaten Gottfried
Kiessel, Alexander Wolter en Peter Binder bevestigd).
Kort
voor het begin van de slachting om Vukovar, beval Marin Vidic (Kroatische
vertegenwoordiger van de overheid in Vukovar) de evacuatie van 6000 Kroatische
vrouwen en kinderen uit de stad. De Servische burgers werd verboden om
Vukovar te verlaten, wat tot gevolg had dat gedurende de volgende gevechten
duizenden Serviers in de stad gevangen zaten.
Begin
oktober 1991 probeerden troepen uit voormalig Joegoslavië binnen te vallen
om de belegerde kazernes te bevrijden en de ingesloten burgers te hulp
te schieten. Hieraan kwam echter voortijdig een einde doordat het binnenrukkende
Joegoslavische leger scherp onder vuur werd genomen. Dit was het
begin van de beruchte slachting van Vukovar die bijna twee maanden duurde.
Gedurende de gevechten werden honderden Servische burgers uit schuilkelders
en openbare gelegenheden gehaald om meteen geëxecuteerd te worden. Gelijktijdig
werden opnieuw burgers gearresteed en in verschillende gebouwen vastgehouden.
Hoofdverantwoordelijke voor deze gruweldaden was Tomislav Mercep en zijn
"stille liquidatiegroep".
Het
einde van de slachting van Vukovar
Eind november 1991, na verscheidene weken van verbeten gevechten kapituleerden
de Kroatische strijdkrachten en nam het Joegoslavische leger het totaal
vernielde Vukovar in. De Joegosalavische arts Dr. Zoran Stankovic, die
bij de inname van Vukovar aanwezig was, stuitte op de lijken van ca. 1400
geexecuteerde Servische burgers, die verspreid door de straten lagen.
(Dit is na te lezen in "Jugoslavia- an avoidable war" , Nora Beloff).
Van de westerse media was niemand bereid om van deze slachtoffers melding
te maken. Des te intensiever begonnen zij de dode Kroatische soldaten
te fotograferen.
Het
Joegoslavische leger maakte honderden Kroaten krijgsgevangen in Vukovar,
van wie er 182 toegaven oorlogsmisdaden te hebben begaan. Aan de hand
van hun getuigenissen konden veel gevallen van moord op burgers worden
opgehelderd. Enige van deze getuigenissen vormen de basis van het boek
"Crimes without punishment" van Ksenija Lukic en "The Vukovar war drama"
van Dr. Bosko Todovoric.
Een
ander belangrijk bewijs is het dagboek van Z.N.G.-aktiviste Ksenija Piplica,
dat in Vukovar gevonden werd. In dit boek worden executies en martelingen
die tegen Serviers begaan werden, tot in detail beschreven.
De
westerse massamedia brachten hun camera's echter pas eerst in stelling
toen de gevechten om Vukovar al lang en breed geëindigd waren. Met geen
woord werd gerept over het feit dat de Servische bevolking al sinds maanden
werd vervolgd, verdreven, gefolterd en vermoord totdat het Joegoslavische
federale leger ingreep om deze mensen te verdedigen. Integendeel, plotseling
werden de Serviërs als aggressors afgeschilderd die het waanidee koesterden
van de stichting van een Groot-Servië en daarom Kroatië wilden veroveren.
Deze abstracte bewering gaat echter voorbij aan de volgende punten:
- De Serviërs
leefden sinds eeuwen in deze gebieden en niet slechts sind kort, zoals
enige journalisten beweerden die klaarblijkelijk geen geschiedenisonderwijs
genoten hebben
- Toen de Serviërs
zich in Kroatië vestigden hebben zij dat niet op eigen intitatief
gedaan maar werden daaartoe verzocht door de Habsburgse regering,
om samen met hen te strijden tegen de Turken
- Toen de Serviërs
zich in de Krajina vestigden bestond Kroatië niet als zelfstandige
staat maar maakte deel uit van het Habsburgse keizerrijk
- In 1990 overwoog
de Kroatische regering de invoering van oude symbolen uit de nazi-tijd,
wat bij de Servische bevolking begrijpelijkerwijs tot paniekreakties
leidde
- In de nieuwe
Kroatische grondwet werd er over de Serviërs met geen woord gerept
,nog werden hun rechten verzekerd
- Al vele maanden
voor het uitbreken van de oorlog in Kroatië werd de Servische bevolking
geterroriseerd, verdreven en vermoord
- De gevechten
in Kroatië speelden zich af in gebieden waarin Serviërs leefden. Dat
weerlegt de bewering dat de Serviërs Kroatië veroverden wilden. Immers,
hoe kan een volk een gebied veroveren waarin het al vele eeuwen heeft
geleefd?
Nora
beloff schreef in haar boek over dit onderwerp:
"Kort nadat Franjo Tudjman tot president van Kroatie was gekozen,
begon de exodus van Serviërs uit Kroatië. Toen ik destijds Kroatie bezocht
om een reportage te maken kon ik met eigen ogen constateren dat de Serviërs
alle reden hadden om voor hun leven te vrezen. Alleen vanwege hun nationaliteit
werden ze slachtoffer van discriminatie en vervolging en hadden ze van
de Kroatische regering geen genade te verwachten. Serviërs wiens namen
op dodenlijsten stonden die men in Kroatische kranten publiceerde werden
gearresteerd en vermoord."
Het
zwijgen van de media
De toonaangevende westerse massamedia met voorop Amerika, Duitsland, Zwitserland
en Oostenrijk, waren zeer bekwaam om misdaden begaan tegen Serviërs, te
verdoezelen. Met geen woord werd gerept over de meer als 600.000 verdrevenen
en meer dan 10.000 dode Serven, die sneuvelden in de oorlog in Kroatië.
Over de werkelijke oorzaak van deze oorlog heerste eveneens een totaal
stilzwijgen. Er werd absoluut geen aandacht besteed aan het racistische
boek van Franjo Tudjman, nog aan zijn banden met de extreem-rechtse Ustachabeweging,
die begin 1991 op de Servische bevolking losgelaten werd.
Daarentegen
werd iedere gewonde of gesneuvelde Kroaat direct gefotografeerd en de
foto verscheen nog dezelfde dag in de kranten (Natuurlijk is iedere dode
er een teveel, maar dat geldt dan overal). In de lijn van deze eenzijdige
berichtgeving schoof men de schuld van de oorlog op de regering in Belgrado.
Opeens was Slobodan Milosovic een "in bloed gedrenkte diktator uit de
Balkan" die zijn moordtroepen op de "onbewapende" en "hulpeloze" Kroaten
losliet.
Maar
ook geen zogenoemde mensenrechtenorganisatie had voor de Servische verlangens
een open oor. In tegenstelling tot Bosnië en later in Kosovo, vernam men
niets van het geweeklaag over etnische zuiveringen, ontslagen, folteringen
en moord. Niemand zamelde kleding, voedsel of medicijnen in voor de Krajina-Serven
die naar Bosnië of Servië vluchtten waar de economische situatie catastrofaal
was. De massamoordenaar Tomislav Mercep werd uitgeroepen tot nationale
held en veel van zijn "dappere medestrijders" werden voor hun "inzet"
beloond met huizen en landerijen. Franjo Tudjman werd door de internationale
gemeenschap niet ter verantwoording geroepen. Er was geen kritiek op zijn
racistisch boek nog op zijn uitspraak: "Ik prijs mezelf gelukkig dat mijn
vrouw geen Jodin of Servische is." (Na te lezen in het artikel "Goebels
lives in Zagreb" door de journalist Teddy Preuss, verschenen in de Israelische
krant "the Jerusalem Post" op 21 december 1991). Vandaag de dag reist
hij onbekommerd door de wereld, drinkt champagne in het Vaticaan of is
een prominent toeschouwer op de eretribune zoals recent bij het Wereldkampioenschap
voetbal in 1998.'
DaanSpeak,
met dank aan A. Noniem.
Meld je aan voor de gratis mailing list.