Andere artikelen van DaanSpeak in deze Balkan-serie: 1 2 3 4 5

Hoe de Serven door de Kroaten
werden onderdrukt, maar de
publieke opinie tegen zich kregen

15eb02
Op verzoek van DaanSpeak schreef de ons niet onbekende A. Noniem naar schatting medio 2000 een samenvatting van een aantal Franse en Duitse boeken over de andere kant aan de berichtgeving over de Joegoslavische oorlog. DaanSpeak publiceert bij deze de samenvatting en tekent aan dat het dus geen eigen DaanSpeak-productie betreft en dat wij in dit geval slechts functioneren als doorgeefluik voor hen die kennis willen nemen van deze materie.
 

De geschiedenis herhaalt zich
De Krajina-Serven leefden sinds de zestiende eeuw in gebieden van het huidige Kroatie. Destijds bestond Kroatie nog niet als zelfstandige staat, maar maakte deel uit van de Habsburgse monarchie. In 1527 vluchtten de Kroaten voor de oprukkende Turken en lieten gebieden achter die later "Vojna Krajina (militaire grens) genoemd werd. In het zicht van een dreigende Turkse invasie, riepen de habsburgers het aangrenzende Servie om hulp. Daarop werden er er tienduizenden Serviers in de Krajina gestationeerd, die de Turkse opmars succesvol tot staan brachten. Vanaf dat moment bleven de Serviers in de Krajina en verkregen de autonome status van de Habsburgse regering.  In de loop der tijd nam de Servische bevolking toe tot boven de miljoen. Tijdens de beide wereldoorlogen werd het oorspronkelijke bevolkingsaantal met bijna de helft gereduceerd. In 1945 bleven nog ca. 500.000 Serviers over; het grootste gedeelte werd in Kroatische concentratiekampen omgebracht (nog afgezien van het feit dat ook in Servie en Bosnie velen de dood vonden.

In de loop van 1989 moesten de Krajina-Serven opnieuw voor hun bestaan vrezen. De oorzaak lag in de verschijning van het boek "Bespuca-Povesjne zbiljnosti" (Wegen naar de historische waarheid), geschreven door de kroatische politicus Franjo Tudjman. In zijn boek stelde Tudjmna o.a.:

  • Het Kroatische concentratiekamp Jasenovac heeft alleen als werkkamp bestaan waarin de mensen zich vrij konden bewegen
  • Het aantal van 700 000 vermoorde Serviers is onjuist, hoogstens kan er gesproken worden van 30 a 40 duizend Servische doden, waarbij zodoende geen sprake kan zijn van volkerenmoord
  • De gruweldaden die tegen de Serviers bedreven zouden zijn, zijn door historici schromelijk overdreven
  • Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er geen zes miljoen Joden omgebracht
  • Veel Joden zijn niet door Hitler omgebracht maar hebben zelfmoord gepleegd
  • De Joden zijn eigenlijk zelf nazi's, gezien hun tyraniekke houding tegenover de Palestijnen
  • De Joden zijn zelf schuldig aan de haat die ze ondervinden, omdat ze menen dat ze het uitverkoren volk zijn
  • Volkerenmoord is in de grond der zaak een natuurlijk iets dat God Jehova reeds beweerde.

Deze uitspraken van de holocaustontkenner Tudjman waren een zware slag voor de in Kroatie levende minderheden. Vooral onder de Krajina-Serven kwamen onaangename herinneringen boven. Er was in de hele Krajina geen Servische familie te vinden, die tijdens de facistische Ustacha-diktatuur niet een of meer leden verloren had. En nu, vierendertig jaar na deze genocide, trad opnieuw een Kroatische politicus aan, die onder de Servische bevolking angst en beving verspreidde. Deze angst nam nog verder toe toen Tudjman op 17 juli 1989 de nationalistische partij H.D.Z. oprichtte. Uiterlijk op dit tijdstip werd het duidelijk dat Kroatië haar afscheiding van Joegoslavië voorbereidde. Deze afscheiding zou voor de Serven betekenen dat ze opnieuw zonder bescherming in een Kroatische staat zouden leven die door ultranationalisten geregeerd werd (Franjo Tudjman werd eerder al twee keer wegens nationalistische activiteiten tot meerjarige gevangenisstraffen veroordeeld, waarvan  hij een deel uitzat).

In april 1990 vonden er in Kroatië vrije verkiezingen plaats, waarbij Tudjmans partij als winnaar uit de bus kwam. Bevreesd door Tudjmans verkiezingssucces besloten de Serviërs op 19 augustus 1990 de onafhankelijke republiek Krajina te stichten. Vier maanden later vaardigde de Kroatische regering een nieuwe grondwet uit die Kroatië tot een soevereine staat verklaarde. In deze grondwet werd met geen woord gerept over de 600 000 Krajina-Serven, noch werd hun bestaansrecht gegarandeerd. Min of meer tegelijkertijd vonden er in Kroatie veel ontslagprocedures plaats waarbij de meeste Serviers hun baan verloren. In het boek "Der Jugoslawienkrieg" van Imanuel Geiss en Gabrielle Intemann staat in dit verband te lezen:

De nieuwe Kroatische grondwet greep terug op oude nationale symbolen, die gebruikt werden in de Ustachastaat (gewijzigde vlag, grondwet en wapen). Ze verklaarde alleen Kroaten tot staatsburgers. De wetgeving legde de grondslag voor een alles omvattende zuivering bij Justitie, Politie en Ambtenarij. Ook in het bedrijfsleven en in het toerisme werden de Serven vanwege hun nationaliteit ontslagen.

David Martin schreef op 22 november 1991 in de "New York Times":
Sinds Kroatië de onafhankelijkheid heeft uitgeroepen zijn de Serviërs in Kroatië slachtoffer van een intimidatiecampagne geworden. Het besluit van president Tudjman een staatsvlag naar het model van de Ustachavlag in te voeren heeft alles nog veel erger gemaakt. Het wordt vergeten dat de bestaande grenzen tussen Servië en Kroatië willekeurig door maarschalk Tito, een Kroaat, getrokken werden toen hij in 1944 aan de macht kwam. Men kan het de Serviërs niet kwalijk nemen dat ze angst koesteren voor de wedergeboorte van een extremistische Kroatische staat.

In haar verslag "De media als brandstichter" (uit het boek "Servie moet sterven") schrijft de uit München afkomstige publiciste Mira Beham:
Toen Kraotië de onafhankelijkheid verklaarde bleef het er niet bij dat de Servische minderheid uit het openbare leven werden verbannen en tot afzondering werden gedwongen. Naar dezelfde logica eisten de Serviers, totdan een erkend etnisch onderdeel van het federale Joegoslavie, politieke en culturele autonomie. Onder druk van de opleving van het Kroatische nationale zelfbewustzijn  hadden bovendien duizenden Serviërs Kroatië vrijwillig of onvrijwillig verlaten; de eerste vluchtelingen in het voormalige Joegoslavië. Spoedig bediende het Kroatische nationalisme zich van dezelfde symbolen van de facistiche Ustachastaat, een vazalstaat van Hitler, die tussen 1941 en 1945 honderduizenden Serven, Joden en zigeuners het leven gekost heeft.

De internationaal bekende journalist en schrijfster Nora Beloff beschrijft in haar boek 'Jugoslavia - an avoidable war" hoe Franjo Tudjman met hulp van de extremistische Ustachabeweging de vernietiging van Joegoslavie inleidde. Het begin van hoofdstuk vijf luidt als volgt:
Twee dominante factoren veroorzaakten de versplintering  van Joegoslavië. In de eerste plaats de installatie van Franjo Tudjman als Kroatische president, die met zijn racistische politiek geen plaats voor anderen dan Kroaten overliet en in de tweede plaats de activiteiten van de machtige Ustacha-organisatie, die de uitrusting en wapens van het Kroatische leger financierde.

Eind 1990 vonden in Kroatië dagelijks gewapende conflikten plaats, hetgeen de Servische bevolking voorgoed in de hoogste staat van paraatheid bracht. De nieuwe Kroatische minister van defensie Martin Spegelj, verkondigde op 21 januari 1991 openlijk:
We zijn vanaf nu in oorlog met Joegoslavië. Wat er ook mag gebeuren, breng hen om, op de straten en in hun huizen. Gooi handgranaten of schiet hen dood (de Serviers). Dit is na te lezen in het boek "Die Zerslagung Jugoslawiens" door Arnold Sherman.

Een burger, Zeljko Ostojic, in een buitenwijk van Vukovar, begon de wapenleveranties te filmen. Nadat hij enig filmmateriaal verzameld had droeg hij de opnamen over aan een officier van het Joegoslavische federale leger. Op 26 januari 1991 werd de film op de Joegoslavische televisie uitgezonden. Een goed half uur later drongen gewapende Kroatische milities de woning van Ostojic binnen en brachten hem om.
Na dit voorval begonnen de rechtsovertredigen tegen de in Kroatië levende Serviërs sterk toe te nemen. Alle politiebureaus werden "gezuiverd" van Serviërs, Servische artsen en verpleegkundigen werden vervangen door Kroatische, en veel niet-Kroatische werknemers in het bedrijfsleven werden eveneens ontslagen.
Echter, deze terreur beperkte zich niet tot gedwongen ontslagen maar mondde uit in een onafzienbare rij psychische gewelddaden die ook bij foltering, openlijke geweldpleging en moord geen halt hield. Omdat het i.v.m. de plaatsruimte niet mogelijk is alle in Kroatie voorgevallen misdaden te beschrijven zullen we ons beperken tot de gebeurtenissen in de regio Vukovar. Uitvoerig worden deze beschreven in het boek "Crimes without Punishment" dat door de leider van de vrouwenbeweging in Vukovar, mevrouw Ksejina Lukic, uitgegeven werd. Dit boek is een verzameling van getuigenverklaringen, dokumenten, bekentenissen van gevangengenomen oorlogsmisdadigers en vele autopsieberichten, die door verscheidene artsen opgesteld werden. De verdere inhoud bevat dokumenten over oorlogsmidadigers die door het Joegoslavische informatiecentrum SCIC openbaar gemaakt werden.
 

De geschiedenis van de onbestrafte misdadigers
De hoofdverantwoordelijke voor de bloedbaden en moordpartijen onder de Servische bevolking is de Kroatische nationalist en crimineel Tomislav Mercep. Hij was de grondlegger van de 204e Z.N.G. Brigade, die uitsluitend uit criminelen, Ustachas en werklozen bestond. Het hoofddoel van de brigade was de etnische zuivering van alle Serviërs uit Kroatië en de grondlegging van een onafhankeljk Kroatië, dat gedurende het afgelopen millennium steeds in een ander verband van staten opgegaan was. (met uizondering van de facistische Ustachaperiode van 1941 tot 1945). Op 10 maart 1991 vond er in het dorp Bogdanovacki Dol een bijeenkomst plaats van 2000 leden van paramilitaire Kroatische eenheden. Ze organiseerden een militaire parade. De parade werd gefilmd en een casette hiervan is in het bezit van het Joegoslavische leger.

Drie dagen later vond in BororvoNaselje, een buitenwijk van Vukovar een partijvergadering van de HDZ plaats, waarbij besloten werd tot nieuwe maatregelen tegen de Serviërs. Op dezelfde dag werden de laatste Serven werkzaam bij de onderneming "Borovo Combine" ontslagen.
Het volgende voorval vond plaats op 31 maart 1991. Op de weg tussen Plitvice en Karlovac arresteerde de Kroatische politie Goran Hadzic en Borivoje Savic,  allebei lid van de Servisch-demokratische partij in Vukovar. De gewelddadige en brutale arrestatie werd gefilmd en nog diezelfde avond voor de Kroatische televisie uitgezonden. Het zonder reden vasthouden van de beide politici maakte bij de Serven een paniekreaktie los. De volgende dag werden er in het nabijgelegen door Serviërs bewoonde dorp barricaden opgericht om zich tegen verdere akties te beschermen. De situatie verbeterde weer iets toen de beide politici op 3 april 1991 weer werden vrijgelaten. Aan deze schijnbare rust kwam echter op 1 mei 1991 een einde. Op die dag werd de Servier Stevan Inic (1928) gedood door een schot door het hoofd in het dorp Brsadin. De moordenaar was Djuro Gelencir, lid van een bewapende Kroatische eenheid (SCIC Dossier Vukovar Autopsiebericht Nr 16/91).

De daaropvolgende dag vielen ca. vijftig Kroatische militairen Bororvo Selo binnen en openden het vuur op de bevolking.  De Serviërs beantwoorden het vuur en er vielen aan beide zijden doden en gewonden.  De gevechten eindigden pas, toen eenheden van het Joegoslavische  leger vanuit Vukovar kwamen en de vijandelijke partijen scheidden. Onmiddelijk na dit treffen werden in de Servische dorpen Borovo Selo, Negoslavci, Trpinja, Lipovaca, Pacetin en Bobota opnieuw barricaden opgericht.
Het dorp Sotin werd niet afgegrendeld omdat de bevolking zowel uit Serven als Kroaten bestond. Op 4 mei 1991 vielen bewapende Kroaten Sotin binnen en begonnen de Serven te terroriseren. Bij deze rechtsovertreding werd Miodrag Nadj (1966) doodgeschoten.  (SCIC Dossier Vukovar, Autopsiebericht Nr 17/91). Een Servisch lid van  de gemeenteraad van Vukovar, Slavko Dokmanovic, schreef een brief aan de Kroatische president Franjo Tudjman, waarin hij zich over de mishandeling van de Serviërs in Kroatië beklaagde. de brief werd helaas niet beantwoord en de vervolging van de Serviërs nam alleen maar toe.

Eind mei 1991 waren honderden Serviërs op bevel van Tomislav Mercep in hun woning of gewoon op straat zonder reden gearresteerd of in verscheidene openbare gelegenheden ingesloten bijv. bij de Kajakclub, het gebouw van de fittnessvereniging of in verschillende cafe's. Velen van hen werden mishandeld, gefolterd en vermoord. Begin juni 1991 begonnen Kroatische eenheden te schieten op de huizen van Servische burgers of  werden er granaten gegooid bijv op het huis van Professor Danica Gvojic. Afgezien van huizen werden ook verschillende Servische cafe's en restaurants opgeblazen, o.a.: Sarajka, Krasisnik, Tufo, Brdo, Mali Raj, Popaj, Tocak, Sid, Rojal, Veseli Bosanci.

Het schoonmaakbedrijf van Miki Stojikovic werd net als zijn huis opgeblazen. Intussen namen Kroatische verbanden de totale controle over van Vukovar en omgeving. Alle Serviërs hadden hun baan verloren en ook radio Vukovar en de Vukovaarse krant waren overgenomen door Kroaten. De situatie van de Servische bevolking was zo ongeveer op dit tijdstip meer dan hopeloos. Hen bleef niet veel anders over dan zich in hun huizen te verschansen waar ze in doodsangst verder leefden. Omdat het federale Joegoslavische leger nog geen bevel had gekregen binnen te vallen, vluchtten veel Serviërs naar Bosnië en Servië. Van de oorspronkelijke 17993 Vukovaarse Serven bleven er nog 13734 over. In totaal bestond de eerste golf van vluchtelingen vanuit Kroatië uit 150 000 Serviërs, de overige 450 000 zouden nog volgen.

Eind mei 1991 stelde Tomislav Mercep een speciale eenheid samen die hij "stille liquidatiegroep" noemde. Het doel van de groep bestond hierin, zoveel mogelijk Serviérs te verdrijven, te vermoorden of eenvoudigweg  zodanig te terroriseren tot ze Kroatië vanzelf verlieten.  Er volgden berichten over liquidaties van Serviërs in Vukovar, die op bevel van Tomislav Mercep werden georganiseerd. Lijkautopsies, die door verschillende artsen werden uitgevoerd, bevestigden dit (bijv. Dr. Zdravko Tomasevic en Dr. Milos Tasic). De daders werden door overlevenden van de terreur aangewezen of door inmiddels gearresteerde oorlogsmidadigers beschreven (de dokumenten hiervan zijn in het bezit van het Oorlogstribunaal in Den Haag en het Joegoslavische Centrum voor Informatie SCIC).

Interventie van het Joegoslavische  federale leger
Het eerste grote gewapende treffen tussen het Joegoslavische leger en Kroatische eenheden vond plaats op 25 augustus 1991. Kroatische politiemannen brachtten een mijn aan onder een vrachtauto van Joegoslavische soldaten en deze werd opgeblazen. Bij de explosie werd een Joegoslavische soldaat gedood en vier anderen gewond. Kort daarna verlieten eenheden van het Joegoslavische leger hun kazerne in Vukovar om aan de Kroatische troepen weerstand te bieden. In de loop van de dag kwam het tot zware gevechten tussen de vijandelijke partijen (het Joegoslavische leger bestond rond dit tijdstip praktisch alleen nog maar uit Serviërs). Met behulp van tankwagens en artillerievuur werden  de Kroatische barricades en verdedigingswerken geslecht. Voor een paar uur was de omgeving van Vukovar onder controle van Joegoslavische eenheden. Daarop trok het leger zich in de kazernes terug waar ze regelrecht in de val liepen. Sterk bewapende Kroatische militairen omsingelden de kazernes en hielden de Joegoslavische soldaten min of meer gevangen. Ondertussen bereikten 7000 andere Kroatische militairen Vukovar waar ze zich hergroepeerden en verscheidene doelen troffen. De nieuw aangekomen troepen waren afkomstig uit de steden Varazdin, Cakovec, Slavonski Brod, Zupanja, Nasice en Vinkovci. Onder de Kroatische troepen bevonden zich ook ca. 150 neo-facisten uit Amerika, Oostenrijk en Duitsland (deze gegevens werden door de in Wenen gearresteerde soldaten Gottfried Kiessel, Alexander Wolter en Peter Binder bevestigd).

Kort voor het begin van de slachting om Vukovar, beval Marin Vidic (Kroatische vertegenwoordiger van de overheid in Vukovar) de evacuatie van 6000 Kroatische vrouwen en kinderen uit de stad. De Servische burgers werd verboden om Vukovar te verlaten, wat tot gevolg had dat gedurende de volgende gevechten duizenden Serviers in de stad gevangen zaten.

Begin oktober 1991 probeerden troepen uit voormalig Joegoslavië binnen te vallen om de belegerde kazernes te bevrijden en de ingesloten burgers te hulp te schieten. Hieraan kwam echter voortijdig een einde doordat het binnenrukkende Joegoslavische leger scherp onder vuur werd genomen.  Dit was het begin van de beruchte slachting van Vukovar die bijna twee maanden duurde. Gedurende de gevechten werden honderden Servische burgers uit schuilkelders en openbare gelegenheden gehaald om meteen geëxecuteerd te worden. Gelijktijdig werden opnieuw burgers gearresteed en in verschillende gebouwen vastgehouden. Hoofdverantwoordelijke voor deze gruweldaden was Tomislav Mercep en zijn "stille liquidatiegroep".

Het einde van de slachting van Vukovar
Eind november 1991, na verscheidene weken van verbeten gevechten kapituleerden de Kroatische strijdkrachten en nam het Joegoslavische leger het totaal vernielde Vukovar in. De Joegosalavische arts Dr. Zoran Stankovic, die bij de inname van Vukovar aanwezig was, stuitte op de lijken van ca. 1400 geexecuteerde Servische burgers, die verspreid door de straten lagen. (Dit is na te lezen in "Jugoslavia- an avoidable war" , Nora Beloff). Van de westerse media was niemand bereid om van deze slachtoffers melding te maken. Des te intensiever begonnen zij de dode Kroatische soldaten te fotograferen.

Het Joegoslavische leger maakte honderden Kroaten krijgsgevangen in Vukovar, van wie er 182 toegaven oorlogsmisdaden te hebben begaan. Aan de hand van hun getuigenissen konden veel gevallen van moord op burgers worden opgehelderd. Enige van deze getuigenissen vormen de basis van het boek "Crimes without punishment" van Ksenija Lukic en "The Vukovar war drama" van Dr. Bosko Todovoric.

Een ander belangrijk bewijs is het dagboek van Z.N.G.-aktiviste Ksenija Piplica, dat in Vukovar gevonden werd. In dit boek worden executies  en martelingen die tegen Serviers begaan werden, tot in detail beschreven.

De westerse massamedia brachten hun camera's echter pas eerst in stelling toen de gevechten om Vukovar al lang en breed geëindigd waren. Met geen woord werd gerept over het feit dat de Servische bevolking al sinds maanden werd vervolgd, verdreven, gefolterd en vermoord totdat het Joegoslavische federale leger ingreep om deze mensen te verdedigen. Integendeel, plotseling werden de Serviërs als aggressors afgeschilderd die het waanidee koesterden van de stichting van een Groot-Servië en daarom Kroatië wilden veroveren. Deze abstracte bewering gaat echter voorbij aan de volgende punten:

  • De Serviërs leefden sinds eeuwen in deze gebieden en niet slechts sind kort, zoals enige journalisten beweerden die klaarblijkelijk geen geschiedenisonderwijs genoten hebben
  • Toen de Serviërs zich in Kroatië vestigden hebben zij dat niet op eigen intitatief gedaan maar werden daaartoe verzocht door de Habsburgse regering, om samen met hen te strijden tegen de Turken
  • Toen de Serviërs zich in de Krajina vestigden bestond Kroatië niet als zelfstandige staat maar maakte deel uit van het Habsburgse keizerrijk
  • In 1990 overwoog de Kroatische regering de invoering van oude symbolen uit de nazi-tijd, wat bij de Servische bevolking begrijpelijkerwijs tot paniekreakties leidde
  • In de nieuwe Kroatische grondwet werd er over de Serviërs met geen woord gerept ,nog werden hun rechten verzekerd
  • Al vele maanden voor het uitbreken van de oorlog in Kroatië werd de Servische bevolking geterroriseerd, verdreven en vermoord
  • De gevechten in Kroatië speelden zich af in gebieden waarin Serviërs leefden. Dat weerlegt de bewering dat de Serviërs Kroatië veroverden wilden. Immers, hoe kan een volk een gebied veroveren waarin het al vele eeuwen heeft geleefd?

Nora beloff schreef in haar boek over dit onderwerp:
"Kort nadat Franjo Tudjman tot president  van Kroatie was gekozen, begon de exodus van Serviërs uit Kroatië. Toen ik destijds Kroatie bezocht om een reportage te maken kon ik met eigen ogen constateren dat de Serviërs alle reden hadden om voor hun leven te vrezen. Alleen vanwege hun nationaliteit werden ze slachtoffer van discriminatie en vervolging en hadden ze van de Kroatische regering geen genade te verwachten. Serviërs wiens namen op dodenlijsten stonden die men in Kroatische kranten publiceerde werden gearresteerd en vermoord."

Het zwijgen van de media
De toonaangevende westerse massamedia met voorop Amerika, Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk, waren zeer bekwaam om misdaden begaan tegen Serviërs, te verdoezelen. Met geen woord werd gerept over de meer als 600.000 verdrevenen en  meer dan 10.000 dode Serven, die sneuvelden in de oorlog in Kroatië. Over de werkelijke oorzaak van deze oorlog heerste eveneens een totaal stilzwijgen. Er werd absoluut geen aandacht besteed aan het racistische boek van Franjo Tudjman, nog aan zijn banden met de extreem-rechtse Ustachabeweging, die begin 1991 op de Servische bevolking losgelaten werd.

Daarentegen werd iedere gewonde of gesneuvelde Kroaat direct gefotografeerd en de foto verscheen nog dezelfde dag in de kranten (Natuurlijk is iedere dode er een teveel, maar dat geldt dan overal). In de lijn van deze eenzijdige berichtgeving schoof men de schuld van de oorlog op de regering in Belgrado. Opeens was Slobodan Milosovic een "in bloed gedrenkte diktator uit de Balkan" die zijn moordtroepen op de "onbewapende" en "hulpeloze" Kroaten losliet.

Maar ook geen zogenoemde mensenrechtenorganisatie had voor de Servische verlangens een open oor. In tegenstelling tot Bosnië en later in Kosovo, vernam men niets van het geweeklaag over etnische zuiveringen, ontslagen, folteringen en moord. Niemand zamelde kleding, voedsel of medicijnen in voor de Krajina-Serven die naar Bosnië of Servië vluchtten waar de economische situatie catastrofaal was. De massamoordenaar Tomislav Mercep werd uitgeroepen tot nationale held en veel van zijn "dappere medestrijders" werden voor hun "inzet" beloond met huizen en landerijen. Franjo Tudjman werd door de internationale gemeenschap niet ter verantwoording geroepen. Er was geen kritiek op zijn racistisch boek nog op zijn uitspraak: "Ik prijs mezelf gelukkig dat mijn vrouw geen Jodin of Servische is." (Na te lezen in het artikel "Goebels lives in Zagreb" door de journalist Teddy Preuss, verschenen in de Israelische krant "the Jerusalem Post" op 21 december 1991). Vandaag de dag reist hij onbekommerd door de wereld, drinkt champagne in het Vaticaan of is een prominent toeschouwer op de eretribune zoals recent bij het Wereldkampioenschap voetbal in 1998.'

DaanSpeak, met dank aan A. Noniem.
Meld je aan voor de gratis mailing list.