Andere artikelen van DaanSpeak in deze
Balkan-serie: 1 2 3
4
5
Amerikaans PR-bureau maakte
in de Joegoslavië-oorlog
van Servië de zwarte piet?
13feb02
Vandaag is de eerste
dag van het 'proces van de eeuw' tegen Milosevic. Een mooi moment om eens
oude koeden uit de sloot te halen. Onderstaande informatie is al enige
tijd bekend, ook bij DaanSpeak die het ruim anderhalf jaar geleden kreeg
toegespeeld via een email door iemand die wij enigszins kennen, maar anoniem
wenst te blijven. In het emailbericht draait om 'een interview dat afkomstig
is uit het boek van Jaques Merlino, degene die het interview afnam.
Het boek uit 1994
heet Les verites Yougoslaves ne sont pas toutes bonnes a dire en
is geschreven door Jaques Merlino, hoofdredacteur van het Franse televisiestation
France 2. In het boek staat een interview met James Harff, directeur van
het Amerikaanse persbureau Ruder
Finn. Dat is een van de grootste en invloedrijkste persbureaus ter
wereld. In het interview geeft Harff onomwonden
toe dat zijn persbureau tegen betaling berichtgeving ten gunste van Kroaten,
Bosnische moslims en later Kosovo-Albanezen heeft verspreid. Hij
heeft met vertegenwoordigers van deze bevolkingsgroepen al voor het uitbreken
van de oorlog contact gehad. Jaques Merlino verwonderde zich over de openheid
van Harff.'
Hier
volgt een gedeelte uit het interview, vertaald in het Nederlands door
degene die mij het (toen nog) nieuws toespeelde. Op diverse plaatsen op
het internet staat het hele interview
in het Engels. Het interview is geciteerd door auteur Sara Flounders voor
het boek Nato
in the Balkans. Flounders is van het International Action Center,
IAC, opgericht
door Ramsey Clark, Former U.S. Attorney General. Over Clark en Flounders,
beiden auteurs van Nato in the Balkans, zie deze pagina.
Meer over de inhoud van hun boek via deze pagina.
Meer
over het interview en reacties erop.
Het
interview
J.M. = Jaques Merlino
J.H. = James Harff
'J.M.:
Meneer Harff, welke middelen stonden tot uw beschikking; van welke
methoden bediende u zich?
J.H.: Dat is heel eenvoudig. Onze hulpmiddelen bestaan eigenlijk uit niets
anders dan een kaartsysteem, een computer en een fax. In het kaartsysteem
zijn de namen opgeslagen van honderden journalisten, politici, vertegenwoordigers
van humanitaire organisaties en academici. Met de computer kunnen we deze
databank koppelen aan aktuele thema's, om zo op effectief de juiste personen
aan te spreken waar we op een bepaald moment informatie van willen krijgen.
De computer is op zijn beurt met een fax verbonden. Zo kunnen we in een
paar minuten alle personen waarvan we vermoedden dat ze reageren zullen
van de precieze informatie voorzien. Ons werk bestaat hieruit diverse
informatiebronnen te kanaliseren en daarna zo snel mogelijk te verspreidden,
daarbij opvattingen die met het thema overeenkomen als eerste openbaar
te maken. Snelheid is hier een eerste vereiste. Wanneer wij een informatiebron
achten juist te zijn, is het voor ons de opgave deze mening in de wereldopinie
als de gangbare mening te verankeren. Vanaf dat moment is het duidelijk
dat alleen datgene telt wat in het begin als standpunt werd ingenomen.
Opdat we niet vergeten.
J.M.
In welke periodes bent u het meest aktief?
J.H. Belangrijk is niet de frequentie maar de veronderstelde geschiktheid
om op het juiste moment de juiste persoon aan te spreken. Ik kan een enige
aantallen noemen, als u wilt. Van juni tot september hebben we dertig
persgesprekken met de belangrijkste krantenuitgevers georganiseerd en
dertien keer exclusieve informatie, 37 officiele brieven en ambtsberichten
in omloop gebracht. We hebben ook bijeenkomsten tussen leden van de regering
van de Bosnische moslims en vice-presidentskandidaat Al Gore, de heel
actieve staatssekretaris Lawrence Eagleburger en tien invloedrijke senatoren
georganiseerd, waaronder George Mitchell en Bob Dole. We hebben 48 telefoongesprekken
met medewerkers van het Witte Huis, twintig met senatoren en ongeveer
honderd met journalisten, opinieleiders, nieuwslezers van tv en andere
invloedrijke personen uit de wereld van de media gevoerd.
J.M.
Dat u dat allemaal precies weet! Waarop bent u in uw werk eigenlijk
het meest trots?
J.H. Dat het ons gelukt is de Joden achter ons te krijgen. Dat was namelijk
een heel heikele aangelegenheid omdat er in het dossier ten opzichte van
de Joden heel veel voetangels en klemmen zaten. De Kroatische president
Tudjman is in zijn boek "Irrwege der historische Wahrheit" namelijk
heel onvoorzichtig geweest. Wie dit boek leest zou hem van antisemitisme
kunnen beschuldigen.
Aan de zijde van de moslims was het niet veel beter gesteld; president
Izetbegovicc sprak in zijn "Islamitische verklaring" in 1970 zich uit
voor een eenzijdig op de Islam georienteerde fundamentalistische staat.
Los daarvan was het antisemitisme in het verleden in Bosnië en Kroatië
springlevend. Tienduizenden Joden zijn in de Tweede Wereldoorlog in Kroatische
kampen vernietigd. De joodse inteligentsia en joodse organisaties hadden
daarom eigenlijk alle reden de moslims en Kroaten vijandig gezind
te zijn. Deze vijandige gezindheid om te keren was voor ons
een grote uitdaging.
Het
is ons gelukt en wel tussen 2 en 5 augustus 1992 toen de New Yorkse
krant "Newsday" met berichten kwam over Servische concentratiekampen.
Trefwoorden hierbij waren "dodenkamp" "gulag" en "dodenkamp van de Serven"
(deze berichten werden later door de Duitse journalist Thomas Deichmann
ontmaskerd Anm. d. Hrsg.). We zijn er meteen opgesprongen en hebben de
meningsvorming van drie grote joodse organisaties in omgekeerde richting
beinvloed: de "B'nai B'rith Anti-Defamation League" het "Amerikan Jewish
Committee" en het "American Jewish Congress".
We
stelden hen voor een aankondiging te plaatsen in "the New York Times"
en bij de Verenigde Naties protest aan te tekenen. Dat werkte voortreffelijk,
het standpunt van de joodse organisaties te laten veranderen ten gunste
van de Bosnische moslims was een uitstekend gelukte zet. In een handomdraai
konden we de Serviërs in de wereldopinie neerzetten naast de nazi's. Weet
u, het Joegoslavische probleem is heel gecompliceerd, niemand weet wat
er aan vooraf ging, en om eerlijk te zijn, de meerderheid van het Amerikaanse
volk vraagt zich af in welk deel van Afrika Bosnië nu eigenlijk ligt,
maar opeens hebben we nu een eenvoudige geschiedenis van goeden en kwaden.
We weten hoeveel daarvan afhangt. En we hebben gewonnen omdat we op het
Joodse publiek gemikt hebben.
De
pers past voortdurend het spraakgebruik aan en strooit met emotioneel
geladen begrippen als etnische zuiveringen, concentratiekampen enz. waarbij
men natuurlijk meteen associaties krijgt met Naziduitsland, gaskamers
en Auschwitz. Het appelleren aan emoties in de berichtgeving is zo sterk
dat niemand het zich meer kan permiteren er een afwijkende mening op na
te houden. Het is niet ongevaarlijk wanneer men tracht de geschiedenis
te herzien.
Dat was echt een schot in de roos.
J.M.
Maar tussen 2 en 5 augustus had u geen bewijzen voor uw redeneringen.
Het enige waarop u zich kon beroepen was het artikel in "Newsday".
J.H. Het is niet onze taak informatie op het waarheidsgehalte te controleren.
We hebben daarvoor ook niet de benodigde middelen. Ik zeg u nogmaals,
onze taak bestaat hieruit, informatie die ons ten dienste is snel in omloop
te brengen en daartoe zorgvuldig uitgekozen contactpersonen aan te spreken.
Wij hebben niet beweerd dat er concentratiekampen waren in Bosnie, maar
we hebben bekend gemaakt dat "Newsday" dat beweerde.
J.M.
Maar u bent zich er toch wel van bewust dat u hierin een grote verantwoordelijkheid
draagt?
J.H. Wij zijn proffesioneel. We moeten ons werk doen en dat doen we. We
worden er niet voor betaald om te moraliseren. En zelfs wanneer
het daarom zou gaan hebben we een zuiver geweten. Als u zou willen bewijzen
dat de Serviers slachtoffer zijn, probeert u het dan, u zult merken dat
u daarin dan helemaal alleen staat.'
Tot
zover de vertaling door A. Noniem van het interview van Merlino met Harff.
PR
en oorlog
Volgens
de Boston Phoenix werkt Harff niet meer bij Ruder Finn, maar is nu baas
van Global
Communicators, 'the virtual marketing division of Harff Communications
Incorporated'. De Boston Phoenix begin 1999: 'To hear PR-firm heads tell
it, this diplomacy for hire is utterly benign -- American companies offer
a service, pushing the needs of small and often poor countries into the
public eye. "Public-relations people are simply intermediaries," says
Ruder Finn chair David Finn. "We get people in positions of responsibility
together and facilitate their communications." Harff, who headed Ruder
Finn's Global Public Affairs division before leaving in 1997, credits
American firms with educating policymakers and the media ealier in the
decade about the Balkans in general and Kosovo in particular. "People
had no idea where Kosovo was, what the issues were, who the personalities
were, or what US policy interests were in the region," he says. "Our challenge
was to bring them into contact with people who needed to have an understanding
and a desire to understand. "Part of decision-making is having information
from a diversity of sources," he adds. "I have always felt that was the
biggest contribution we could make."
To
their detractors, though, these PR firms aren't "educating" and "facilitating"
so much as they are manipulating US opinion. These critics charge that
American firms use their talent and influence to spin complex issues,
portraying them in black-and-white terms that distort the real story.
Just before the Persian Gulf War, for example, the Kuwaiti government
retained the public-relations firm Hill and Knowlton, which helped arrange
the later-discredited congressional testimony of a young Kuwaiti woman
-- eventually revealed to be the daughter of a Kuwaiti ambassador -- who
told of invading Iraqi soldiers' pulling premature Kuwaiti babies from
their incubators.
Even
if PR firms do not orchestrate false or misleading testimony, their access
to insiders and their skill at drumming up favorable coverage adds unnecessary
and unfortunate layers to policymaking, says Steve Rendall, senior analyst
with Fairness and Accuracy in Reporting, a media-watchdog group. Without
the PR firms, he says, "we would all have a clearer view of what was happening
in the world." Although Rendall is no apologist for the murderous Milosevic,
he believes that PR firms that have worked for Balkan-area clients such
as Bosnia and Croatia have encouraged the public to perceive too stark
a contrast between Milosevic and other Balkan leaders. "None of this is
to say that Milosevic and the Serbs are just victims of bad press," he
says. "But there has been a concerted effort in the press, with the help
of PR firms, to paint the Serbs as the only thugs in the neighborhood."
Adds
John Stauber, co-author of the 1995 book Toxic Sludge Is Good for You:
Lies, Damn Lies, and the Public Relations Industry (Common Courage Press):
"I think [the PR activity] is very unhealthy for democracy. It's very
important that domestic policy debates be open and [that] we know whose
interests are at stake. . . . Democracy requires, in the current vernacular,
a lot of transparency." But PR, he says, "works best when it's invisible."
As
if that's not reason enough for skepticism, consider this: foreign-government
officials aren't the only ones who understand how useful PR professionals
can be. Two weeks ago, Leslie Dach, vice-chair of public-relations giant
Edelman Worldwide, was hired to work on Kosovo-related communications.
For the White House.'
Op
verzoek van DaanSpeak schreef A. Noniem een samenvatting
van een aantal Franse en Duitse boeken over de andere kant van de Joegoslavische
oorlog. Uit de samenvatting blijkt dat de Serven door de Kroaten werden
onderdrukt en zelfs vermoord, maar dat ze uiteindelijk de publieke opinie
tegen zich kregen.
DaanSpeak
Meld je via email aan voor de gratis mailing
list.
PS
Lees deze DaanSpeak over PR-bedrijf Hill
& Knowlton en hun invloed op de Golfoorlog.